Klimaatbeleid vergt zwaar pakket aan maatregelen in landbouw

De Nederlandse landbouw kan voldoen aan de klimaatdoelstelling in 2030, maar dat vergt een zwaar pakket van klimaatmaatregelen. Dat blijkt uit het rapport ‘Beleidsscenario’s voor klimaatmitigatie in landbouw en landgebruik’ van WUR.

Alleen met een combinatie van technische maatregelen bij boeren, krimp van de veestapel, slootpeilverhoging in veenweidegebied en meer bos komt het Nederlandse klimaatdoel in 2030 binnen bereik. Een klimaatneutrale land- en bosbouwsector in 2035, zoals de EU in een eerder voorstel had opgenomen, is voor Nederland echter niet haalbaar.

Nederland wil de emissies van broeikasgassen verlagen met 55% in 2030 ten opzichte van 1990. De landbouw moet volgens het NPLG 5 megaton CO2-equivalenten reduceren in 2030, wat leidt tot een restemissie van 13,6 Mton (exclusief energie gerelateerde emissies).

De EU wil toe naar een klimaatneutrale landbouw in 2035, waarbij bossen de resterende emissies compenseren door CO2 vast te leggen. Nederland is nu een grote bron van broeikasgassen, door de grote veehouderijsector en de emissies van gedraineerde veengronden. Nederland heeft daarnaast relatief weinig bos waarmee de emissies gecompenseerd kunnen worden.

Klimaatmaatregelen

De onderzoekers hebben de volgende klimaatmaatregelen doorgerekend: opkoop veehouderijbedrijven, aanpassing veevoer, voeradditieven, fokken op lage methaanemissie, verhoging weidegang, mestvergisting, drijfmest koelen, methaan-oxidatie, stikstofbemesting verlagen, meer vlinderbloemigen in bouwplan en grasklaver, meer blijvend grasland, meer rustgewassen en groenbemesters, slootpeilverhoging, onderwater-drainage, bosuitbreiding, revitalisering van bossen, landschapselementen als houtwallen.

Vier beleidsscenario’s

Het rapport schetst beleidsscenario’s hoe de klimaatopgave kan worden gerealiseerd met maatregelen op gebied van landbouw en landgebruik. Er zijn 4 scenario’s voor 2035:

  • Scenario 1: referentie. Dit scenario gaat uit van het huidige vastgestelde beleid. Deze komt uit voor landbouw op 18,9 Mton CO2-equivalenten.
  • Scenario 2: overheidssturing, pessimistisch. Dit scenario gaat ervan uit dat de overheid gaat sturen op klimaatdoelen, maar dat de effectiviteit en implementatie beperkt zijn. Dit scenario komt uit op 14,9 Mton CO2, waarmee de doelstelling voor landbouw niet gehaald wordt.
  • Scenario 3: overheidssturing, optimistisch. Dit scenario rekent op een effectief overheidsbeleid met hoge implementatiegraad. Dit scenario komt uit op 13,2 Mton, waarmee de doelstelling gehaald wordt.
  • Scenario 4: Aanvullend. Dit scenario gaat uit van optimistisch overheidsbeleid en aanvullende sturing door het bedrijfsleven en andere maatschappelijke actoren. Dit scenario komt uit op 10,9 Mton, waarmee het doel ruim gehaald wordt.

Scenario 4 heeft ook in 2050 de laagste emissie, maar de wens van een klimaatneutrale land- en bosbouw komt nog niet in zicht. Hiervoor zijn meer maatregelen nodig, zoals een verdere reductie van de (rund)veestapel, meer aanplant van bos en nieuwe technische maatregelen die de methaanemissie fors verminderen. Deze maatregelen zullen ingrijpend zijn voor landbouw en landinrichting.

Daling landbouwproductie

De opkoopregelingen zorgen voor een fors kleinere veestapel. In scenario 2 daalt de melkveestapel met 18% en het aantal vleesvarkens met 36%, in de scenario’s 3 en 4 daalt de melkveestapel met 27% en het aantal vleesvarkens met 50%. Ook de pluimveestapel krimpt fors. Dit leidt tot een aanzienlijke daling van de landbouwproductie. De maatregelen leiden tot een verlies van netto toegevoegde waarde van naar schatting 5,4 tot 8,5 miljard euro per jaar. Daar staan baten tegenover ter waarde van 1,6 tot 2,8 miljard euro per jaar vanwege vermeden milieuschade.

‘Inpasbaarheid en draagvlak in de sector is voor een deel van de maatregelen nog wel problematisch’, stellen de onderzoekers. ‘Voor veel van de maatregelen geldt dat er nog geen duidelijke sturing is georganiseerd die ervoor gaat zorgen dat ze ook daadwerkelijk worden doorgevoerd. Sturing kan zowel komen vanuit de overheid als vanuit het bedrijfsleven.’